-Mislukte vrijlating tegen betaling – Jan-Willem van den Braak

Met dank aan Kamp Amersfoort (Magazine InBeeld) voor hun toestemming!

De vader van Jan-Willem van den Braak zat drie maanden gevangen in kamp Amersfoort. Als kind hoorde hij daar het een en ander van, later ook via zijn vaders zuster, die nog een mislukte poging deed hem uit het kamp te krijgen. Hieronder zijn verhaal.

Jan Antoon van den Braak

 

Mijn vader keerde in de laatste maanden van 1943 met kort verlof terug uit Berlijn, waar hij in de lente van dat jaar als 18-jarige student te werk was gesteld in de AEG-fabrieken. Hij wist onder te duiken bij een echtpaar in de Jonkerstraat in Wassenaar, waar zijn oudere zuster hem een keer opzocht (en mij vele decennia later wist te vertellen, dat in die straat toen NSB-topman Max Blokzijl woonde). Maar bij een kort bezoek op een zondagmorgen aan zijn ouders in de stationsbuurt van Tilburg werd hij op straat gezien en thuis gearresteerd door enkele lieden in zwart uniform. Hij probeerde nog via de tuin te vluchten maar ook daar stonden ze hem al op te wachten. En zo belandde hij als straf voor zijn poging om zich aan de Arbeitseinsatz te onttrekken in Kamp Amersfoort, nadat hij op het Tilburgse politiebureau was kaalgeschoren en een zwager hem bij het station nog een hoed op het kale hoofd had weten te drukken.

Bij aankomst werd hij geregistreerd onder nummer 4428. Met Kamp Amersfoort is de meest akelige naam verbonden die ik als kind ooit hoorde: Joseph Kotälla, de Unterschutzhaftlagerführer van het kamp. Hij was in feite een psychopaat, wat ook bleek uit het feit dat hij gedurende enige maanden als psychiatrisch patiënt was opgenomen in een Haagse kliniek. Mijn vader vertelde dat hij de gevangenen urenlang rondjes liet lopen op de kampplaats. Eens probeerde iemand (mijn vader?) uit de kring te sluipen en achter een barak een sigaretje te roken. De hond van Kotälla kwam op hem af en sprong tegen hem op, hijgend in zijn gezicht. Je moest doodstil blijven staan, totdat Kotälla de hond terugriep. Achter de slaapbarakken waren de wasloodsen met lange zinken troggen met waterkranen en een aantal wc’s. Mijn vader vertelde dat de wc-gang razendsnel moest verlopen want veel tijd kreeg je niet.

Verblijfsbewijs Kamp Amersfoort

Mijn grootvader kwam in contact met iemand, die verzekerde Jan het kamp uit te krijgen tegen betaling van tweeduizend gulden. Het geld zou in een café in de buurt van het kamp aan iemand afgegeven moeten worden. Hij tekende een notarieel vastgelegde schuldbekentenis van tweeduizend gulden, gedateerd 2
februari 1944. Voor, zo stond er in sierlijk handschrift:
‘…bemoeienissen ten bate van mijn zoon Jan Antoon van den Braak welk bedrag van ƒ2.000,- den Heer W. Vos, wonende Lovensestraat 126 Tilburg verklaart ten volle te zullen terugbetalen aan: W.W. van den Braak, Noordstraat 57 Tilburg wanneer de poging tot invrijheidsstelling niet zou slagen voor of op 7 februari 1944.’

Willems huisarts verbood hem echter wegens zijn hartproblemen deze reis te maken en daarom ging zijn 23-jarige dochter per trein naar Amersfoort. Ze overhandigde het geld in het betreffende café aan de betrokken persoon, maar haar broer kwam niet terug. Mijn grootvader was hierover zo woest dat hij zijn contactpersoon in hotel Mulder aan de Spoorlaan luidruchtig uitschold, waarna de eigenaar hem tot stilte maande, omdat er Duitsers in de zaak aanwezig waren.

Notariële akte

Volgens de officiële Transportliste werd mijn vader ingesloten op 17 februari 1944. Die aankomstdatum spoort echter niet met het genoemde notarieel document van 2 februari 1944, waaruit kan worden afgeleid dat mijn vader al in januari in het kamp zat. Vermoedelijk heeft de typist per ongeluk 17 februari getypt in plaats van 17 januari, omdat op dat formulier ook de dag stond vermeld, waarop hij het kamp weer verliet: 24 februari. Dat was bijna zes weken na 17 januari en dat was precies de gebruikelijke straftermijn voor ‘Verspätete Urlauber’, zoals op de lijst stond, evenals dat hij ‘Via Oldenzaal’ terug moest naar de AEG-fabrieken in Berlijn.

Als kinderen smeekten mijn broertje en ik hem bij het naar bed brengen wel eens: “Papa, vertel nog eens over Berlijn”. Want dat waren spannende verhalen: de bombardementen door de Engelsen, het schuilen in kelders, de verwoestingen en de bevrijding door de Russen, waarbij hij zijn Duitse hospita in de Warthestrasse (waar hij na de bevrijding terecht was gekomen) een keer had verborgen onder de kolen toen de Russen huis na huis afstroopten op zoek naar vrouwen. Hij kwam in juli 1945 met een goederentrein ongedeerd terug in Tilburg. Op weg naar huis vernam hij van een kennis dat zijn vader op 28 december 1944 aan een hartaanval was overleden, 48 jaar oud. Dat was wel het meest dramatische verhaal dat wij als kinderen van hem hoorden. Op Allerzielen bezochten wij altijd met hem zijn vaders graf op het kerkhof aan de Bredase weg.

De tweeduizend gulden werd na de oorlog alsnog terugbetaald aan de weduwe van mijn grootvader. In 1972 vond het debat plaats over de vrijlating van de Drie van Breda, waaronder Kotälla. Ik volgde dat als student intensief en vroeg mijn vader wat hij ervan vond. “Laat ze maar naar Duitsland teruggaan, dan zijn we van ze af”, zei hij. De Drie bleven echter waar ze al bijna dertig jaar waren. Mijn vader en ik bezochten Berlijn in de jaren zeventig diverse malen.
In 2004 werd een Nationaal Monument Kamp Amersfoort opgericht, precies 20 jaar na het overlijden van mijn vader.

Transportbewijs

Jan-Willem van den Braak (Tilburg 1952) studeerde rechten en filosofie en was van 2000-2013 directielid van de ondernemersorganisatie VNO-NCW in Den Haag. In april 2017 verscheen van hem bij Walburg Pers ‘Spion tegen Churchill’ over het lot van een Nederlandse spion in de Tweede Wereldoorlog. Zijn vader Jan Antoon van den Braak (Tilburg 1924-1984) studeerde economie en was belastinginspecteur op het Tilburgse kantoor.

Opmerking:
Dit verhaal werd eerder gepubliceerd in InBeeld, het magazine van Kamp Amersfoort, editienr.46/ april 2017 (www.kampamersfoort.nl)

UPDATE juli 2017:
Uit recentelijk onderzoek door Jan-Willem van den Braak kwam naar voren dat zijn vader i
n 1963 een schadevergoeding aan bij het Centraal Afwikkelingsbureau Duitse Schadeuitkeringen (CADSU) aangevraagd had wegens ‘vrijheidsberoving’, een van de daarvoor geldende gronden. Blijkens zijn brief doelde hij op zijn gedwongen verblijf in ‘kamp Amersfoort onder leiding van Kotälla’.  Hij kreeg een bedrag van fl. 439,60 toegekend (zou thans ca 1100 euro zijn).