-En de duisternis heeft het niet begrepen- Willem Brandt

En de duisternis heeft het niet begrepen – Willem Brandt

 Willem Brandt was de pseudoniem van Willem Simon Brand Klooster (1905-1981) – was schrijver, dichter, journalist en vrijmetselaar. Hij vertrok in 1927 naar Indonesië, waar hij redacteur werd van de Deli Courant en later hoofdredacteur.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam hij terecht in het Jappenkamp. In 1955 repatrieerde hij en in 1957 werd hij directeur van het Gooise Nieuwsblad.
Van zijn hand is het verhaal  En de duisternis heeft het niet begrepen :

Eigenlijk is dit geen Kerstverhaal. Het is niet eens een verhaal; het is een verslag, een doodgewoon verslag van iets dat ergens gebeurde. En dan mist het zelfs nog de actualiteit die een verslag gewoonlijk kenmerkt, want het is al meer dan vijftig jaar geleden gebeurd. Wie bekommert zich daar nu nog om? Maar het kerstverhaal, het echte kerstverhaal, was tenslotte ook niet zomaar een verhaal. Ook dát is oud nieuws, van zo’n tweeduizend jaar geleden. Wat doen dus die paar decennia ertoe? Overigens bestaat er nóg een eigenaardige overeenkomst, al zult u die misschien wat vergezocht vinden. Het oude kerstverhaal speelde zich af in een stal. Dat van ruim vijftig jaar geleden gebeurde ook in een stal. Nu ja, geen echte stal, maar het leek er wel veel op. Het was een sombere loods, waarin een vrijwel permanente duisternis heerste. Maar daarbuiten straalde het licht fel en glorieus, zowel overdag als ’s nachts. Die loods stond namelijk in een tropisch gebied, onder een gloeiende, brandende zon, maar ook onder een fantastische sterrenhemel. En een maan, die veel groter leek dan men ooit in Europa ziet.

Er woonden mensen in die loods, hoewel ‘wonen’ een beetje te sterk is uitgedrukt. Ze waren er opgeborgen. Want iets verder, daarbuiten, liet de zon of de maan kleine vonkjes glinsteren vanaf het prikkeldraad, voorzover dat in de loop van de jaren niet al was verroest. Want het duurde nu al jaren – of waren het misschien eeuwen? Je kon het zo niet zeggen – je was te moe en te ziek en te zwak om zelfs de uren en de dagen bij te houden. Dat deed je in het begin. Nu was dat allang voorbij. Je werd meer met de eeuwigheid geconfronteerd dan met de dag of het uur. Want er stierven er zoveel, naast je en overal om je heen, door honger, dysenterie, andere tropische ziekten – of alleen maar omdat ze niet meer wilden leven. Hun laatste sprankje hoop was uitgedoofd.

Niettemin probeerden we het nog een beetje te rekken in dat concentratiekamp. Waarom, ach dat wist je eigenlijk niet meer. Aan het einde van de oorlog, aan bevrijding kon je allang niet meer geloven. Je leefde verder uit een soort routine, in een verdoofde toestand, afgestompt, en met nog maar één drift, die zo nu en dan als een wild beest naar je keel sprong: eten, eten, maakt niet uit wat. Maar er was niets, we werden systematisch uitgehongerd. Zo nu en dan ving iemand wel eens een slang, of een ander dier, een rat bijvoorbeeld. Besteed er maar geen aandacht aan, niemand die het overleefd heeft praat daar nog graag over. Er was één man in dat kamp, die nog iets eetbaars bezat. Een kaars. Een gewone waskaars. Natuurlijk had hij die destijds niet meegenomen of bewaard om op te eten. Een normaal mens eet geen kaarsvet, hoewel ze zeggen dat de Kozakken er vroeger gek op waren. Hoe dan ook: het is vet, dat moet je niet onderschatten wanneer je alleen maar uitgeteerde geraamten om je heen ziet – waarin je ook jezelf herkent.

Als de marteling van de honger helemaal niet meer was uit te houden nam hij die kaars – die hij goed had verborgen in een verfomfaaid koffertje en hij kloof eraan. Maar hem opeten deed hij niet. Hij beschouwde die kaars als zijn laatste redding. Op een keer toen iedereen krankzinnig werd van de honger (en dat zou nu niet zo lang meer duren) zou hij die kaars opeten. Ik hoop niet dat u het gek of weerzinwekkend vindt. Ik, die zijn kameraad was, vond het heel gewoon in die tijd. Hij had mij trouwens een klein stukje van die kaars beloofd. Het werd mijn levenstaak, mijn voortdurende zorg, erop te letten dat hij de kaars achteraf toch niet helemaal alleen opat. Ik beloerde en bespioneerde hem en zijn koffertje dag en nacht. Misschien bleef ik wel in leven, omdat ik zo’n belangrijke taak te vervullen had.

Op een dag ontdekten we dat het Kerstmis was. Heel toevallig was iemand daarachter gekomen, na langdurige berekeningen aan de hand van kleine streepjes en inkervingen in een balk. Hij vertelde het aan iedereen. ‘Volgend jaar Kerstmis zijn we thuis’, voegde hij er nogal mat en emotieloos aan toe.

We knikten, of reageerden helemaal niet. Dat hadden we nu al een paar jaar gehoord. Toch waren er nog wel een paar die zich daaraan vastklampten. Je kon immers nooit weten.

Dat was heel vreemd om te zeggen. Het klonk als een zwak, nauwelijks hoorbaar geluid uit een onafzienbare verte, iets volkomen onwerkelijks uit een ver, ver verleden.

Toen zei iemand – misschien zonder enige bedoeling, maar misschien ook wel, daar ben ik nooit achter gekomen – ‘Met Kerstmis branden de kaarsen en luiden de klokken’.

Nu moet ik zeggen dat die opmerking langs de meesten van ons heenging. Ze interesseerde ons niet, ze sprak over iets dat geheel buiten ons bestaan viel – maar toch had ze de wonderlijkste en meest onverwachte gevolgen.

Toen het al laat in de avond was geworden, en iedereen daar zo’n beetje op de planken lag, met zijn eigen gedachten, of eigenlijk helemaal zonder gedachten, werd mijn vriend onrustig. Hij schoof naar zijn koffertje en haalde de kaars tevoorschijn. Ik kon het heel goed zien in het donker, die witte kaars. Hij eet hem op, dacht ik – als hij nu maar aan mij denkt. En ik loerde naar hem, door mijn oogharen. Hij legde de kaars op zijn brits en ik zag hem naar buiten verdwijnen waar een klein vuurtje smeulde. Hij keerde terug met een brandende spaander. Als een spook dwaalde dat kleine vlammetje door de loods tot het zijn plaats weer bereikte, vlak bij mij. Toen gebeurde er iets vreemds; mijn vriend nam die spaander, dat vuur, en stak zijn kaars aan.

De kaars stond op zijn brits en brandde.

Ik weet niet hoe iedereen dat zo onmiddellijk ontdekte, maar het duurde niet lang of de ene schaduw na de andere schoof nabij, halfnaakte kerels, waarvan je de ribben kon tellen, met holle kaken en brandende honger-ogen. Zwijgend vormden die een kring om de brandende kaars.

Eén voor één kwamen ze naar voren, die naakte mannen, ook de dominee en de pastoor. Je kon niet zien dat ze dominee of pastoor waren, want ze waren ook maar een stuk uitgemergelde ribbenkast, maar we wisten het toevallig.

De pastoor zei met een hese stem: ‘Het is Kerstmis. Het Licht schijnt in de duisternis.’

En toen zei de dominee: ‘En de duisternis heeft het niet begrepen.’

Het is, als ik mij niet vergis, uit het Evangelie volgens Johannes. Je kunt het in de bijbel vinden, maar die nacht, om deze kaars, was het geen geschreven Woord van eeuwen geleden. Het was een levende werkelijkheid, een boodschap voor dit uur en voor ons, voor ieder van ons.

Want het Licht scheen in de duisternis. En de duisternis begreep het niet. Op dat moment beredeneerde je het niet zo, maar dat was wat we voelden, zwijgend rond dat Kerstlicht, die witte kaars, die spitse vlam.

Daar was iets heel bijzonders mee. Die kaars was witter en slanker dan ik daarna ooit heb gezien. En die vlam – het was een kaarsvlam die tot de hemel reikte waarin we dingen zagen die niet van deze wereld zijn. Ik zal nooit in staat zijn om daarover te vertellen – niemand van ons trouwens, die nu nog leeft. Dat was een geheim. Een geheim tussen het Kerstkind en ons. Want we wisten toen zeker dat Het bestond, dat Het leefde onder ons en voor ons. We zongen in stilte, we baden zonder een woord, en ook heb ik gehoord dat de klokken begonnen te luiden en dat een engelenkoor liederen aanhief. Ja, dat weet ik heel zeker en ik heb wel honderd getuigen, waarvan de meesten niet meer kunnen spreken. Ze zijn niet meer hier, maar dat betekent niet dat ze het niet meer zouden weten.

Daarginds, diep in de moerassen en de jungle, zongen ijle engelachtige stemmen kerstliederen voor ons en galmde het brons van duizend klokken.

Waar dit alles vandaan kwam, dat blijft ook een geheim. Die kaars brandde hoger en hoger, spitser en spitser, tot aan het uiterste nokje van die hoge donkere loods en toen daardoorheen, tot aan de sterren, en alles werd wit van licht. Zoveel licht heeft later nooit meer iemand gezien. En we voelden ons vrij en opgeheven, en kenden geen honger meer. Die kaars had niet alleen mijn vriend en mij gevoed, die kaars had ons allemaal gevoed en sterker gemaakt.

Er kwam geen einde aan het licht. En toen iemand zacht zei: ‘Volgend jaar Kerstmis thuis’, geloofden we dat deze keer onvoorwaardelijk. Want het licht had ons zelf die boodschap meegedeeld, het stond in vurige letters in die kerstvlam geschreven; u kunt mij geloven of niet, ik heb het zelf gezien.

De hele nacht heeft de kaars gebrand. Er is geen kaars ter wereld die zo lang en zo hoog kan branden. Toen het ochtend was waren er een paar, die zongen. Dat was in geen jaren gebeurd. Die kaars heeft velen van ons het leven gered, want toen wisten we dat het nog de moeite waard was om verder te gaan, dat er ergens aan het eind op ieder van ons een thuis wachtte.

En dat was ook zo.

Sommigen zijn naar Nederland teruggekeerd, vóór het weer Kerstmis was. Ze vinden de kaarsjes aan onze kerstbomen maar klein, veel te klein. Ze hebben een groter licht gezien, dat nog altijd brandt. De meeste anderen zijn ook thuis gekomen vóór het weer Kerstmis was, ik heb zelf meegeholpen hen neer te leggen in de aarde achter ons kamp, op een droog plekje tussen het moeras. Maar toen ze stierven waren hun ogen minder dof dan vroeger. Dat was het licht van die vreemde kaars. Het Licht dat de duisternis niet had begrepen.

Advertenties